BEETHOVEN: SYMFONIE NR. 7
Vergelijkende Discografieen

BEETHOVEN: SYMFONIE NR. 7

 

Voor de vertolker van Beethovens Zevende is het de kunst om dit werk dat op een enkel motief als basisgedachte is gebaseerd, maar dat zijn constructieve moment echter verbergt achter een haast bacchantisch uitdijende, punctueel ontketende muziek zodanig uit te voeren dat deze beide aspecten gelijkwaardig tot uiting komen.

 

Achtergronden

De autograaf van deze symfonie heeft als datum 13 mei 1812. 1812 was een bijzonder jaar met Napoleons laatste grootschalige optreden bij de tocht naar Rusland, maar ook voor Beethoven die in aanraking was gekomen met de ondernemende Bettina Brentano en met Goethe. Hij moet toen ook zijn ‘Unsterbliche Geliebte’ zijn tegengekomen, wie dat ook geweest moge zijn. Die liefde was weer gedoemd ongelukkig te blijken, maar daar is in deze symfonie niets van te merken.

Het werk staat in een monter A-groot en wijkt af van het gangbare symfonietype doordat het geen wezenlijk langzaam deel bevat, doch een allegretto: hier mysterieus, daar speels. De poco sostenuto inleiding is de machtigste die Beethoven ooit voor een symfonie schreef, ook die van de vierde symfonie is in vergelijking bleker.

In het vivace worden de krachten gebundeld en wordt het profiel aangescherpt. Het hoofdthema is veel meer ritmisch dan melodisch en dat gepuncteerde 6/8 ritme zelf is de kern van deze symfonie. Het maakt zich meester van ieder motief, overbrugt de verschillen tussen eerste en tweede thema, stort zich van de expositie naar de doorwerking en van de doorwerking naar de reprise met de dansende rusteloosheid die de orgie van de finale al lijkt aan te kondigen.

Schaars zijn de pauzes, men vindt ze in de fermates vóór de prachtige hobosolo in mineur en daarna als voorbereiding op de coda. Maar daar suggereren ze minder rust dan angst. Ook deze coda met de haast adembenemende uitwijking naar As en de voortdurende stamelingen van de lage strijkers maken dit weer tot de beste coda uit Beethovens oeuvre.

Het volgende allegretto gold lang als populairste deel van deze symfonie. In Beethovens tijd moest het vaak worden gebisseerd. Menigeen kon toen nog weinig aan met de snelle delen die als uitlatingen van een krankzinnige of tenminste als pure dronkemansjool werden beschouwd. Veel waren het niet, want de Zevende is van begin af aan stormachtig bewonderd.

Overigens is dat allegretto allesbehalve conventioneel want ook al is het thema eenvoudig, het blijkt ideaal om tegenmelodieën, figuraties en fugatische bewerkingen te ondergaan. Het ritmische profiel is krachtig als steeds.

Het derde deel, presto, staat in F en laat de danswoede meteen weer uitbarsten; schijnbaar speels, in werkelijkheid bezeten. Het voortdurend herhalen van kleine motiefjes, van enkele tonen zelfs, geeft dit scherzo op den duur een haast hypnotische kracht. De rudimentaire melodie van het trio zou Beethoven hebben ontleend aan een processielied uit Neder-Oostenrijk. Dat trio heeft inderdaad een hymneachtig karakter, maar lijkt meer impressie dan citaat. Overigens is ook dit scherzo weer geen scherzo in de eigenlijke betekenis van het woord, al was het maar omdat het trio tweemaal volledig wordt gespeeld en omdat dit deel van geen ophouden weet totdat vijf stevige akkoorden er een krachtdadig einde aan maken.

En dan de finale, allegro con brio. Deze verenigt alle aanduidingen en aandoeningen van de voorafgaande delen in een tomeloze dithyrambe. Alles raakt in een roes. Mousserende souplesse wordt tot zwaar stampen, sforzati beuken op zwakke maatdelen, een razend eerste en een nerveus tweede thema laten zich door alle regionen heenzwepen tot aan het drievoudig forte in de coda. Ze nemen nu eens de gedaante aan van een triomfantelijke mars, dan weer van een tragikomische uitsmijter. Men kan deze finale opvatten als een vertegenwoordiger van de klassieke sonatevorm, maar ook, met zijn vele herhalingen, als een dans.

Alle vier de delen dansen op hùn manier en wat dat betreft is de Zevende meer suite dan symfonie. Maar de omschrijving ‘Apotheose des Tanzes’ van Wagner lijkt wat overdreven want een apotheose en een bacchanaal zijn verschillende dingen, hoe dionysisch het werk ook is (en Beethoven las Homerus!). Opus 92 is dus de bandeloze, bacchantische dithyrambe die ook in zijn roes nog troebel en aardgebonden blijft.

 

De opnamen

Wie de lange lijst met opnamen hieronder beziet – een lijst die zeker niet volledig is, met name ontbreken wat opnamen op zeer onbekende, niet- of nauwelijks leverbare labels – zal meteen begrijpen dat geen sterveling deze alle heeft gehoord, gehoord kan hebben. Interessanter en vruchtbaarder dan wat toegespitste beschrijvingen te geven van de belangrijkste, wel makkelijk beschikbare opnamen is het om eens na te gaan wat de belangrijkste orkesten uit Berlijn, Wenen, Londen en Amsterdam en dan vooral de dirigenten die meer dan één opname maakten te bieden hebben.

Beginnen we met de pure geluidsopnamen. Kwantitatief wint Berlijn het, met zestien opnamen, waarvan alleen al van Karajan vier (plus 2 Weense en 1 Londense). Op de voet gevolgd door Wenen het met liefst 10 opnamen, interessant genoeg onder heel verschillende dirigenten. Maar het Concertgebouworkest laat zich ook niet onbetuigd met acht opnamen van respectievelijk Mengelberg, Erich Kleiber, Klemperer, Jochum, 2x Sawallisch, Krips en – de nog niet officieel verkrijgbare uitvoering uit februari 2009 – tweemaal Haitink, waarvan dus 1x als videoversie. Voeg daarbij de dito van Carlos Kleiber om letterlijk het beeld compleet te maken.

Dat kan tussen interessante vergelijkingen van een eventueel wijzigende orkestcultuur leiden en beslist tot het volgen door de jaren heen van de opnametechniek. Maar het hoeft met deze beperking tot een paar wereldberoemde ensembles niet noodzakelijkerwijs te leiden tot het vinden van de waardevolste opnamen. Dat vergt namelijk een gedifferentieerder aanpak.

Laten we daarvoor het bestand splitsen in historische opnamen (van 1926- 1952), semi-historische (1953-1980) en moderne (na 1981).

Interessant zijn als alternatief of voor een enkel keertje de bewerkingen voor blaasorkest.

 

Conclusie

Het meest de moeite waard onder de echte historische opnamen zijn die van Strauss, Toscanini en Furtwängler. Bij de semi-historische springen die van Erich Kleiber en Otto Klemperer er nadrukkelijk uit. Bij de ‘moderne’ is de keuze veel royaler. Primus Inter pares bij de ‘traditionelen’ is hier duidelijk Carlos Kleiber met een voorkeur van zijn Orfeo opname boven die van DG. Hij wordt gevolgd door vooral Fischer, Karajan (1962) en Abbado Berlijn.

Bij de ‘authentieke’, historiserende zijn vooral de semi’s van Harnoncourt en Gardiner de moeite, aangevuld met de ‘ware’ van Van Immerseel en Norrington (Virgin).

Hier gaat het om vrij persoonlijke, misschien niet algemeen geldende voorkeuren. Wie zelf uitgesproken favorieten heeft of op zoek wil naar nieuwe ontdekkingen, is daar vanzelfsprekend geheel vrij in. Hier is slechts getracht een paar bruikbare uitgangspunten voor te stellen.

Bij de video opnamen zijn het opnieuw Kleiber en Abbado die het pleit winnen. Het is wel te hopen dat hetzij het Concertgebouworkest, hetzij de NPS de recente indrukwekkende uitvoering van Haitink die veel meer indruk maakt dan zijn vorige cd versie – mogelijk een haastklus – nog eens officieel toegankelijk maakt. Vooreerst ben ik gelukkig met de zelf gemaakte dvd registratie.

 

Discografie

1926. Orkest van de Berlijnse Staatsopera o.l.v. Richard Strauss. Naxos 8.110926.1927 Philadelphia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Biddulph WHL 033.

1928 Orkest o.l.v. Felix Weingartner. Archipel ARPCD 0114-2.

1929. Orkest van de Berlijnse staatsopera o.l.v. Hans Knappertsbusch. Tahra TAH 309.

1933. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Naxos 8.110840.

1935. BBC symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini BBC Legends BBCL 4016-2.

1936. New York filharmonisch symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Naxos 8.110840.1939. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. Music & Arts CD 1203.

1940. Concertgebouworkest o.l.v. Willem Mengelberg. Philips ….., Iron IN 1422.

1942. Orkest van Reichssender Berlin o.l.v. Carl Schuricht. Musicaphon CD 10944.

1943. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. DG 427.775-2.

1950. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. EMI 567.492-2, 567.497-2.

1950. Concertgebouworkest o.l.v. Erich Kleiber. Decca 475.6080.

1951. NBC Symfonie orkest o.l.v. Arturo Toscanini. RCA GD 60324, 74321-55836-2.

1953. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Carl Schuricht. Hännsler CD 93.140.

1953. Philharmonia orkest o.l.v. Herbert von Karajan. EMI 763.310-2.

1953. NBC symfonie orkest o.l.v. Guido Cantelli. Music & Arts CD 1170, Testament SBT 41306.1954. Deens nationaal omroeporkest o.l.v. Frederik IX. Da Camera 8.224158/9.1954. Frans nationaal orkest o.l.v. Pierre Monteux. Music & Arts CD 1182.

1955. New York filharmonisch orkest o.l.v. Bruno Walter. Music & Arts CD 1137.

1955. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Eugen Jochum. DG 474.018-2.

1957. Gürzenich orkest Keulen o.l.v. Günter Wand. Testament SBT 1284.

1960. Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 563.895-2, 567.851-2. Naxos 8.111248.

1957. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm. Orfeo C 10081B.1957. Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. Testament SBT 1406.1958. Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeny Mravinsky. Melodia 74321-29459-2, 74321-29400-2.1958. Weens Staatsopera orkest o.l.v. Hermann Scherchen. Archipel ARPCD 0201.

1958. Philharmonia orkest o.l.v. Eduard van Beinum. BBC Classics BBCCL 4124-2.

1959. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Decca 448.042-2, 470.256-2.1959. Chicago symfonie orkest o.l.v. Carlo Maria Giulini. EMI 575.462-2.1959. Royal philharmonic orkest o.l.v. Thomas Beecham. BBC Legends BBCL 4012-2.1960. Philharmonia orkest o.l.v. Otto Klemperer. EMI 563.895-2, 567.851-2.

1961. Royal philharmonic orkest o.l.v. René Leibowitz. Menuet 160.028-2.

1962. Concertgebouworkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. Philips lp AY 835124.

1962. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG463.088-2.

1966. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Rafael Kubelik. Belart 450.038-2, DG 477.5838.

1966. Frans nationaal omroeporkest o.l.v. Jascha Horenstein. Music & Arts CD 1146.

1967. Tsjechisch filharmonisch orkest o.l.v. Paul Kletzki. Supraphon SU 3455-2.

1967. Concertgebouworkest o.l.v. Eugen Jochum. Philips 475.8147.

1974. Chicago symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. Decca 430.792-2.

1974. Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Rafael Kubelik. DG 459.463-2.

1975. Hongaars staatsorkest o.l.v. Janos Ferencik. Hungaroton CLD 4013-8.

1976. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 429.089-2.

1976. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Carlos Kleiber. DG 447.400-2, 471.630--2.

1982. Beiers Staatsorkest o.l.v. Carlos Kleiber. Orfeo C 700518.

1983. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 439.200-2.1983. Philharmonia orkest o.l.v. Vladimir Ashkenazy. Decca 411.941-2.1985. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Philips 442.973-2.

1987. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 423.364-2.

1987. Radio symfonie orkest Berlijn o.l.v. Günter Wand. RCA 74321-20277-2. 74321-20279-2.

1988. Academy of ancient music o.l.v. Christopher Hogwood. Oiseau Lyre 452.551-2.

1988. Orkest van de achttiende eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Philips 442.156-2.

1989. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Daniel Barenboim. Berliner Philharmoniker BPH 0609.

1989. Cleveland orkest o.l.v. Christoph von Dohnanyi. Telarc CD 80163.

1988. Hanover band o.l.v. Roy Goodman. Nimbus NI 5148/8, NI 1760.1988. London classical players o.l.v. Roger Norrington. Virgin 561.943-2.1989. Münchens filharmonisch orkest o.l.v. Sergiu Celibidache. EMI 556.837-2, 556.841-2.1989. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Daniel Barenboim. Sony SK 45830.1990. Europees kamerorkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Teldec 0927-49768-2,Warner 0927-49619-2.1991. Concertgebouworkest o.l.v. Wolfgang Sawallisch. EMI 754.503-2.1992. Liverpool filharmonisch orkest o.l.v. Charles Mackerras. EMI 567.751-2.

1992. Orchestre révolutionaire et romantique o.l.v. John Eliot Gardiner. Archiv 439.900-2.

1994. Orkest van Padua en Venetië o.l.v. Peter Maag. Arts 473702.

1995. Esterházy sinfonia o.l.v. Béla Drahos. Naxos 8.553477.

1997. Tonhalle orkest Zürich o.l.v. David Zinman. Arte Nova 74321-56341-2.

1997. Boedapest symfonie orkest o.l.v. Tamas Vásary. Hungaroton HCD 31721.

1998. Philharmonia orkest o.l.v. Benjamin Zander. Telarc CD 80471.

1999. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Daniel Barenboim. Teldec 3984-27838-2.

1999. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 469.000-2, 477.5864.

2000. Zweeds kamerorkest o.l.v. Thomas Dausgaard. Simax PSC 1182.

2001. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. DG 471.490-2.

2001.Londens symfonie orkest o.l.v. Colin Davis. LSO Live 0014.2002. Omroeporkest Stuttgart o.l.v. Roger Norrington. Hännsler CD 93087.2002. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Simon Rattle. EMI 557.570-2.2005. Londens symfonie orkest o.l.v. Bernard Haitink. LSO Live LSO 0598.

2929.100.

2005 Staatskapel Dresden o.l.v. Colin Davis. Philips 475.6883.2006.  Simon Bolivar orkest o.l.v. Gustavo Dudamel. DG 477.6228.2006. Ensemble orchestra de Paris o.l.v. John Nelson. Ambroise AM 9993.2007. Philharmonia orkest o.l.v. Charles Mackerras. Hyperion CDS 44301/5.2007. Russisch nationaal orkest o.l.v. Mikhail Pletnev. DG 477.6409.2008. Boedapest festival orkest o.l.v. Iván Fischer, Channel Classics CCSSA 25207.

2008. Manchester Camerata o.l.v. Douglas Boyd. Avie AV 2169.

2008 Anima Eterna o.l.v. Jos van Immerseel. Zig Zag territoires ZZT 080402/6.

2008. Duitse kamerfilharmonie Bremen o.l.v. Paavo Järvi. RCA 88697-12933-2.

 

Met onbekende opnamedatum

…… Weens filharmonisch orkest o.l.v. Adolf Busch. Urania RM 11907.

…… Staatskapel Berlijn o.l.v. Herbert von Karajan. DG 477.6237.

…… Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Dante Lys 065.

…… Stockholm filharmonisch orkest o.l.v. Wilhelm Furtwängler. Dante Lys 198.

…… Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Eugen Jochum. Tahra TAH 466/9.

…… Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Carl Schuricht. Archipel ARPCD 0088.…… Chicago symfonie orkest o.l.v. Fritz Reiner. RCA 9026-68976-2.……. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Otto Klemperer. Testament SBT 212.……. Philadelphia orkest o.l.v. Eugene Ormandy. Sony 63266.…… Pittsburgh symfonie orkest o.l.v. William Steinberg. EMI 566.888-2.…… Cleveland orkest o.l.v. George Szell. Sony SK 48158.…… Weens filharmonisch orkest o.l.v. Georg Solti. Decca  467.679-2. …… Boston symfonie orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Living Stage LS 1081, DG 431.768-2. …… New York filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. Sony 61835.

…… Concertgebouworkest o.l.v. Otto Klemperer. Archipel 109.

…… Gewandhausorkest Leipzig o.l.v. Franz Konwitscnhy. Berlin Classics CCC 0089-2.…… Concertgebouworkest o.l.v. Josef Krips. Q-Disc MCCL 97018.…… Philharmonia orkest o.l.v. Leopold Stokowski. Decca 465.6090.…… Londens filharmonisch orkest o.l.v. Klaus Tennstedt. BBC Classics BBCCL 4167-2.

…… Royal philharmonic orkest o.l.v. Colin Davis. EMI 569.364-2.

…… Weens symfonie orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Orfeo C 226.905.

…… Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Joseph Keilberth. Teldec 0630-18946-2.

…… Symfonie orkest van de Beierse omroep o.l.v. Joseph Keilberth. Orfeo C 268.921.

…… Londens symfonie orkest o.l.v. Antal Dorati. Philips 462.958-2.

…… Staatskapel Dresden o.l.v. Rudolf Kempe. Berlin Classics BC 9195-2.…… Leningrad filharmonisch orkest o.l.v. Jevgeny Mravinsky. Warner 0927-46719-2.…… Weens filharmonisch orkest o.l.v. Karl Böhm. DG 477.5471.…… NDR symfonie orkest Hamburg o.l.v. Günter Wand. RCA 74321-89109-2.…..  Sinfonia Varsovia o.l.v. Yehudi Menuhin. Warmer 2564-60457-2.

…… Philadelphia orkest o.l.v. Riccardo Muti. EMI 355.668-2.

…… Nordwestdeutsche Philharmonie o.l.v. Edouard Lindenberg. Apex 0927-49798-2.

…… Philharmonia orkest o.l.v. Christian Thielemann. DG 449.981-2.

……. Gewandhausorkest o.l.v. Kurt Masur. Philips 454.035-2, Pentatone PTC 186.145.

……. Koninklijk Vlaams filharmonisch orkest o.l.v. Philippe Herreweghe. Talent DOM

 

Arrangement voor blaasensemble.

1995. Nederlands blazersensemble. Chandos CHAN 9470.

2004. Blazers van de Royal academy of music o.l.v. Keith Bragg. Royal Ac. of Music RAM 020. 

Video

1967. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. DG 073-4107.

1967. Filharmonisch orkest van de Franse Nationale omroep o.l.v. Ernest Ansermet. EMI 599.939-9.

……. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Herbert von Karajan. Sony SVD 46367.

1987. Londens symfonie orkest o.l.v. Georg Solti. ArtHaus 100.148.

1979. Weens filharmonisch orkest o.l.v. Leonard Bernstein. DG 073-4500.

1983. Concertgebouworkest o.l.v. Carlos Kleiber. Philips  070-100-9.

……. Staatskapel Dresden o.l.v. Giuseppe Sinopoli. ArtHaus 100.502.

2001. Berlijns filharmonisch orkest o.l.v. Claudio Abbado. TDK DV ECSPE, DV-BPAB 47, Medici Arts 205.7378.

2009. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. NPS/AVRO

  bry med us
tucsonmeds.info
pharmaceutica diary info
medic axne
eamea med info site